Transhistorisch meesterwerk

review Kunstmuseum Basel
gepubliceerd in Architectenweb themanummer Publieke gebouwen, juli 2017
foto: Julian Salinas


De door Christ & Gantenbein ontworpen uitbreiding van het Kunstmuseum Basel doet recht aan de unieke kunstcollectie met zowel klassieke als moderne werken. Het nieuwe museumgebouw zet de kwaliteiten van het oude hoofdgebouw even harmonisch als eigenzinnig voort.

Om een inspirerende en attractieve omgeving te kunnen blijven bieden worden de laatste jaren veel musea uitgebreid met nieuwe gebouwdelen. In Nederland bestaat er een tendens om de uitbreidingen sterk te laten contrasteren met het oude museumgebouw waar het op, aan of naast staat. De nieuwe addities zijn daardoor vaak in één woord – voor het Stedelijk museum werd een ‘badkuip’ gebouwd, op de Fundatie in Zwolle kwam ‘een ei’ en naast Museum Booijmans van Beuningen verrijst ‘de pot’, – te duiden. Zo draagt de uitbreiding bij aan het mediagenieke beeld en de attractiewaarde van het museum bij een zo breed mogelijk publiek.
Dat het ook anders kan bewijst het Kunstmuseum in Basel. De in de zomer van 2016 geopende uitbreiding heeft eveneens ten doel het Kunstmuseum aantrekkelijker te maken voor een breder publiek, maar laat zich in tegenstelling tot de Nederlandse evenknieën niet gemakkelijk in een woord samenvatten: het in grijze bakstenen gehulde gebouw pal tegenover het oude museum is ingetogen en extravert, afstandelijk en aanraakbaar, saai en interessant. Daarnaast is het sterk verwant aan het uit 1936 daterende Beaux-Arts museumgebouw waar het een ensemble mee vormt.


Bescheiden evenknie

Het nieuwe gebouw is het resultaat van een goede match tussen de visie van het Kunstmuseum en de ontwerphouding van de Zwitserse architecten Emmanuel Christ en Christoph Gantenbein.
De museumuitbreiding belichaamt namelijk de toekomst van het museum met de oudste publieke kunstcollectie ter wereld. Met werken van onder meer Hans Holbein (16e eeuw), Pablo Picasso, Donald Judd en Andreas Gursky slaat de collectie een brug tussen klassieke en moderne kunst. Het nieuwe gebouw, bestaande uit voornamelijk tentoonstellingszalen, kan wisseltentoonstellingen huisvesten, die voorheen in de elders gelegen Baselse Kunshalle werden georganiseerd. Zo kan het museum nu op dezelfde locatie de volledige breedte van haar collectie, van klassieke tot hedendaagse kunst, delen met het publiek.
Met de link tussen klassiek en modern zo sterk besloten in het culturele profiel van het museum is het niet verwonderlijk dat de toenmalige museumdirecteur Dr. Bernhard Mendes Bürgi een sterke focus had op het voortbouwen op de ruimtelijke kwaliteiten van het uit 1936 daterende hoofdgebouw. De na de internationale prijsvraag in 2008 gemaakte keuze voor het op het eerste gezicht bescheiden ontwerpvoorstel van Emmanuel Christ en Christoph Gantenbein, dat het qua oppervlakkig spektakel zeker aflegde tegen de voorstellen van Zaha Hadid Architects, OMA en Ateliers Jean Nouvel, is daarom goed te begrijpen.
Christ & Gantebein, gevestigd in Basel, kenden de context van het Kunstmuseum goed en toonden in hun ontwerp veel respect voor het bestaande gebouw. Ze kozen ervoor om de uitbreiding niet zichtbaar te koppelen aan het oude museum, maar onder straatniveau een connectie te maken. Het nieuwe gebouw is voorzien van verschillende kenmerken van zijn oude broer, zij het in een meer alledaagse en bescheiden toepassing. Zo is de gevel weliswaar opgebouwd uit de klassieke driedeling plint – piano nobile en fries, maar niet gematerialiseerd in gepolijst natuursteen, maar in baksteen.
Op de expeditie, een bescheiden ingang en een paar ramen na is het gebouw volledig gesloten. Om het ondanks zijn beslotenheid te laten communiceren over hetgeen zich binnen afspeelt stelde Christ & Gantenbein voor om door middel van een verdiepingshoge lichtkrant aankondigingen over de gevel te laten lopen.


Aanwezig in de stad

De ontwerphouding van Christ & Gantenbein komt voort uit een fascinatie voor historische Italiaanse (of Romeinse) architectuur, waarover ze in de begindagen van hun bureau een fotoboek publiceerden. Dit boek toont voornamelijk de indrukwekkende aanwezigheid die Italiaanse gebouwen in het straatbeeld kunnen hebben. Architectuur waarvan de massieve en (vaak) besloten wanden werken als een scenografie van de publieke ruimte. Oerkwaliteiten die nog altijd relevant zijn voor hedendaagse architectuur, aldus Christ & Gantenbein.
De uitbreiding van het Kunstmuseum heeft een natuurlijke aanwezigheid in het straatbeeld. En ondanks zijn beslotenheid heeft het door een geraffineerde stapeling van de bakstenen een hoge mate van aanraakbaarheid. Het gebouw volgt precies de rooilijnen, maar knikt op de hoek naar binnen zodat er een pleintje ontstaat, net genoeg om de massiviteit van het blok te verminderen en de straat een ander perspectief te geven.
En dan is er nog de lichtkrant, of het fries, aan de bovenzijde van de gevel. Waar dit in het prijsvraagontwerp nog een raster van led-lampen was, ontwikkelde het bureau dit tot een werkelijk verbluffende techniek waarbij er horizontale led-stroken in de voegen verwerkt zijn. Deze hebben de mogelijkheid om de voegen aan te lichten of juist donker te laten. De met dezelfde lichtintensiteit als het daglicht verlichte voegen tezamen met de staande vlakken van de bakstenen kunnen zo letters vormen. De schaduw in de voegen vormt de ruimte tussen te letters. Zo zijn het niet de led-lampen die de letters maken, maar het licht dat ze werpen of de schaduw die ze laten. Overdag zijn de letters subtiel aanwezig, terwijl ze ‘s avonds echt als lichtkrant werken.


Normaal en bijzonder

Binnen was er de expliciete wens van Mendes Bürgi voor vaste rechthoekige zalen, in plaats van flexibel in te delen zalen. Deze bracht Christ & Gantenbein onder in twee rechthoekige delen die elk met een zijde de richting van de twee straten volgen. Ertussen bleef een wigvormige ruimte over, die het bureau aanwendde voor het positioneren van een indrukwekkende trappartij die de bezoekers naar alle zalen leidt. Dit uit pragmatiek voorgekomen ruimtelijke spektakel is kenmerkend voor het werk van Christ & Gantenbein. Als professoren aan de ETH Zürich deden de architecten vijf jaar lang onderzoek naar de relatie tussen contextuele factoren en gebouwvorm. Het sterkte hun overtuiging dat gebouwen grotendeels voortkomen uit externe factoren en dat het erom draait hoe je als architect de daaruit voorkomende typologie van architectonische kwaliteiten voorziet. Daarmee ontstaat er een spanning tussen het normale en het bijzondere, waar ook bij de uitbreiding van het kunstmuseum sprake van is.


Ruimtelijk voortborduren

Hoewel ogenschijnlijk vrijstaand, staat het nieuwe gebouw niet op zichzelf. De ruimtelijke kwaliteit ervan kan enkel echt begrepen worden door het vanuit het hoofdgebouw te benaderen. Bezoekers kopen op straat aan een loket een kaartje. Een omsloten voorplein met enkele sculpturen maakt vervolgens de overgang tussen straat en entreehal van het hoofdgebouw. Binnen leidt de hal naar een monumentale trappartij die de bezoekers naar de tentoonstellingsruimtes op de verdiepingen brengt. Geen winkel te bekennen en de bar en het restaurant liggen verscholen in de dode hoek van de entreehal. Die zijn voor later.
Op elke verdieping van het hoofdgebouw kan een ronde gemaakt worden door aaneengeschakelde kamers. De kamers op de eerste verdieping hebben zo nu en dan daglicht dat via grote vensters naar binnen valt. In de kamers op de bovenste verdieping treedt daglicht via het dak naar binnen. Christ & Gantenbein takten de uitbreiding aan op de entreehal van het hoofdgebouw. Een trap brengt de bezoekers een niveau lager naar een onder de straat gelegen foyer en een tentoonstellingszaal die door een verdiepte binnenplaats van daglicht wordt voorzien. Zo is voorkomen dat het onderdoorgaan van de straat aanvoelt als een tunnel en daarmee het onderscheid tussen hoofdgebouw en uitbreiding markeert. In het hart van het nieuwe gebouw verbindt een monumentale trappartij alle lagen. Op de eerste verdieping biedt een enkel venster zicht op het hoofdgebouw. De zalen op de bovenste laag worden door daklichten voorzien van zogenoemd ‘zenitaal’ licht. De twee kwadranten – elk met maximaal vier tentoonstellingszalen – met ertussen de monumentale trap zorgen ervoor dat de bezoekers een aaneengesloten route kunnen lopen langs alle ruimtes.


Aaneen smeden

Het interieur van het oude museum heeft een klassiek materiaalpalet. De grote trap is volledig gevat in natuursteen, in de tentoonstellingsruimtes liggen houten parketvloeren en de wanden in de verkeersruimtes zijn van zeer grof stucwerk. Christ & Gantenbein namen dit materiaalpalet over, maar deden een opmerkelijke en gewaagde toevoeging: voor alle technische elementen in het interieur (deuren, trapleuningen, liften, verlichtingsarmaturen, etc) koos het bureau gegalvaniseerd staal. Het industriële materiaal heeft bij beschouwing een textuur dat verwant is aan de textuur van natuursteen, hout en het groffe stucwerk, maar dat tegelijkertijd het palet bevrijdt van elke historische associatie. Het is deze toevoeging die de ruimtes bij uitstek hedendaags maakt, en de uitbreiding genuanceerd laat contrasteren met zijn historische equivalent.
Omdat de ruimtes zowel renaissancekunst als moderne kunst moeten kunnen tonen is een expliciete keuze gemaakt voor vaste, in plaats van flexibel in te delen, kamers. Christ & Gantenbein ontwikkelden een speciale toepassing voor de houten vloer. Door de houten planken van elkaar te scheiden door voegen vormen ze – als ware het tegels – een gelijkmatig patroon. De nieuwe parketvloer is zo bevrijd van de louter historische associatie.Grof gesucte deurposten en marmeren drempels markeren de overgang tussen de ene ruimte en de andere.
De museumuitbreiding laat zien dat het voortbouwen op het bestaande niet ten koste gaat van de eigenheid van het nieuwe deel van het gebouw, maar het bestaande op een genuanceerde manier in een ander daglicht plaatst. Hetzelfde geldt voor de manier waarop de bestaande en nieuwe ruimtes de bezoeker confronteren met de veelzijdige kunst uit de collectie. Daarmee is een er een architectonisch meesterwerk ontstaan dat de vele geschiedenissen die het museum omvat aaneensmeedt.